| Jaar van toetreding tot de EU | 1986 |
| Politiek systeem | Constitutionele monarchie |
| Hoofdstad | Madrid |
| Oppervlakte | 504.782 km2 |
| Bevolking | 40.7 miljoen |
| Munteenheid | euro |
Overzicht
Hoge plateaus en bergketens, zoals de Pyreneeën en de Sierra Nevada, domineren het Spaanse vasteland. Vanuit deze hooggebergten stromen verscheidene rivieren, waaronder de Ebro, de Duero, de Taag en de Guadalquivir.
De Balearen liggen in de Middellandse Zee en de Canarische Eilanden voor de Afrikaanse kust.
Spanje is een constitutionele monarchie met erfopvolging en een parlement - de Cortes - dat uit twee kamers bestaat. Catalonië, Baskenland en Galicië hebben een bijzondere status. Ze hebben hun eigen talen en andere rechten die in de Grondwet uit 1978, die taalkundige en culturele diversiteit binnen een verenigd Spanje waarborgt, zijn verankerd.
Het land is verdeeld in 17 autonome gemeenschappen (regio's), allen met hun eigen rechtstreeks gekozen autoriteiten.
De belangrijkste economische sectoren zijn landbouw (met name groente en fruit, olijfolie en wijn), visserij, textiel, automobielen en toerisme.
Spanje heeft een rijke artistieke cultuur, van Velázquez in de zeventiende eeuw, via Goya in de achttiende en negentiende eeuw tot Picasso, Dali en Miro in de twintigste eeuw. De Spaanse flamencomuziek en -dans worden over de hele wereld bewonderd, terwijl Cervantes' roman Don Quixote gezien wordt als één van de mijlpalen van de Europese literatuur.
Spaanse filmregisseurs als Pedro Almodóvar, Alejandro Amenábar en Luis Buñuel hebben veel internationale prijzen gewonnen.
De Spaanse keuken staat bekend om haar paella (gemaakt met rijst, kip, zeevruchten en groentes), tortilla (omelet met aardappelen) en sangria (verfrissende wijn dat wordt geserveerd met fruit).
Economie
De Spaanse economie presteerde tussen 1986 en 1990 uitzonderlijk goed, met een gemiddelde jaarlijkse groei van 5%. Na de Europese recessie in het begin van de jaren negentig, liet de Spaanse economie vanaf 1994 weer een gemiddelde groei zien.
De gemengde kapitalistische economie heeft geleid tot een BNP per hoofd van de bevolking van ongeveer 80% van dat van de vier leidende Europese economieën. De centraal-rechtse regering van voormalig president Aznar is er in geslaagd als één van de eersten op 1 januari 1999 de introductie van de euro als betaalmiddel door te voeren.
De regering van Aznar bleef daarna een beleid voeren van liberalisatie, privatisering en deregulering en introduceerde daartoe een aantal belastinghervormingen. Hoewel de werkloosheid gestaag daalde ten tijde van de Aznar, is het met 10.1% nog steeds hoog.
Een groei van 2.5% in 2003, 2,6% in 2004 en 3,4% in 2005 was alleszins acceptabel tegen de achtergrond van de achterblijven economische situatie in Europa. De socialistische President, Rodriguez Zapatero, heeft economische en sociale hervormingen in gang gezet die door veel mensen worden gesteund, maar die niet goed vallen bij religieuze en andere conservatieve elementen in de Spaanse samenleving.
Problemen waaraan Spanje in de komende jaren het hoofd zal moeten bieden zijn de aanpassing aan het monetaire en andere economische beleid van een verenigd Europa, het terugdringen van de werkloosheid en het in goede banen leiden van wijdverbreide sociale veranderingen.