| Jaar van toetreding tot de EU | 2004 |
| Politiek systeem | Republiek |
| Hoofdstad | Ljubljana |
| Oppervlakte | 20.000 km2 |
| Bevolking | 2 miljoen |
| Munteenheid | Tolar |
Overzicht
Slovenië werd na het uiteenvallen van Joegoslavië in 1991 een onafhankelijke staat. Het land grenst aan Italië, Oostenrijk, Hongarije en Kroatië.
Vier belangrijke Europese regio's komen samen in Slovenië: de Alpen, de Dinaren, de Pannonische vlakte en de Middellandse Zee. Het land is bergachtig en de Slovenen zijn fervente skiërs en wandelaars. Op de nationale vlag is de Triglav afgebeeld, Slovenië's hoogste berg van 2.864 meter.
Het land maakte ooit deel uit van het keizerrijk van Oostenrijk-Hongarije. De hoofdstad Ljubljana werd gesticht ten tijde van de Romeinen. De universiteit van Ljubljana, met meer dan 50.000 studenten, levert een belangrijke bijdrage aan het drukke culturele leven van de stad.
De belangrijkste industrieën zijn auto-onderdelen, chemicaliën, elektronica, elektrische apparaten, metaalproducten, textiel en meubels.
Tot de toeristische trekpleisters behoren de beroemde grotten van Postojna met hun stalactieten en stalagmieten. Graffiti in de grotten laat zien dat de eerste toeristen hier al in 1213 naar toe kwamen.
De Sloveense keuken is sterk beïnvloed door die van de buurlanden. De Strudel en Wiener Schnitzel komt uit Oostenrijk, de risotto en ravioli uit Italië en de goulash uit Hongarije. De potica is een speciale Sloveense cake.
Tot de beroemdste Slovenen behoren de natuurkundige Jožef Stefan, de taalkundige Frank Miklošic en de architect Jožef Plecnik.
Economie
Slovenië is met zijn kleine overgangseconomie en een bevolking van ongeveer twee miljoen een voorbeeld van economisch succes en stabiliteit voor zijn buren in het voormalig Joegoslavië. Het land, dat in 2004 lid werd van de EU, beschikt over een uitstekende infrastructuur, goed opgeleide werknemers en een gunstige centrale ligging.
Slovenië heeft een BNP per hoofd van de bevolking dat aanmerkelijk hoger ligt dan dat van de andere overgangseconomieën in Centraal-Europa. In maart 2004 was Slovenië het eerste overgangsland dat promoveerde van netto lener tot donor van de Wereldbank.
Slovenië introduceerde de euro als nationaal betaalmiddel in 2007, nadat het wist te voldoen aan de criteria voor inflatie zoals vastgelegd in het verdrag van Maastricht.
Ondanks het economische succes ziet Slovenië zich voor een aantal groeiende problemen gesteld. Een groot deel van de economie is nog steeds in handen van de staat en de buitenlandse investeringen behoren tot de laagste in de EU per hoofd van de bevolking.
De belastingen zijn relatief hoog, de arbeidsmarkt wordt vaak gezien als inflexibel en veel bedrijven verliezen het van meer concurrerende bedrijven in China, India en elders.
De huidige centrumrechtse regering, die in 2004 aan de macht kwam, heeft beloofd een aantal staatseigendommen versneld te privatiseren en wil graag meer buitenlands investeringen naar Slovenië halen.
Aan het eind van 2005 kreeg de nieuwe Commissie voor Economische Hervormingen kabinetsstatus. Het programma van deze commissie omvat plannen voor het verlagen van de belastingdruk, de privatisering van staatsbedrijven, het vergroten van de flexibiliteit van de arbeidsmarkt en het verhogen van de overheidsefficiëntie.